Verhaal: Britt Meijberg

Tot de laatste stem zwijgt

 

“Stilte is de regel,

Een stem is verraad.

Wie spreekt, verdwijnt.”

 

Dag 1

De lucht rook naar dennenhars en de regen, zwaar en fris, voelde als een beginnende storm. Er was hier geen verkeer te vinden. Geen stemmen. Alleen het geluid van het grind dat onder mijn schoenen kraakte op het moment dat ik de auto uitstapte. Er hing een klamme stilte tussen de bomen. Niet zomaar een stilte. Een tastbare leegte, alsof geluid geen toegang heeft tot dit stuk in de wereld. Het was muisstil.

Het klooster stond in de verte als een donkere vlek tussen al het groen, donker hout en mossige stenen waren goed te zien vanaf hier.  Het bos slokt het klooster langzaam op. Nog een paar jaar en het gebouw is van de aardbodem verdwenen. Voor nu stond het er nog, meer had ik niet nodig op dat moment.

Ik was niet de enige die de auto uitstapte en zijn ogen uitkeek. Ik zag nog vier anderen precies hetzelfde doen. Stuk voor stuk hadden ze een rugzak op hun rug, klaar voor het avontuur.

Er stond een vrouw voor de ingang van het klooster. Wij als groep liepen er rustig op af. We waren al kletsend deze kant op gekomen, maar het moment dat ze ons aanstaarde, zwegen we allen. Ze glimlachte naar ons. Net iets te lang, wat het enigsinds ongemakkelijk maakte. Ze droeg een simpel gewaad, zonder schoenen. Haar handen waren gevouwen als een leraar die haar leerlingen verwelkomde voor een toets waarvan ze al zeker wist dat ze zouden falen. De aankomst had anders gemoeten als je het mij vraagt. Ze had ons best een gevoel van gastvrijheid kunnen geven, dat we hier welkom waren. Maar ik voelde me op dat moment alles behalve welkom. Ik voelde me eerder bekeken. Laat het binnen alsjeblieft beter zijn dan hier. Anders had ik een grote fout gemaakt om hiernaartoe te komen.

Ik wist niet precies wat er binnen was. Ik wist eigenlijk niet eens waar ik mij precies voor had opgegeven, iets met stilte en een klooster. Ik had mij aangemeld uit pure nieuwsgierigheid, misschien ergens ook een beetje uit schaamte. Mijn leven was de afgelopen tijd zo enorm luid. Mijn hoofd was nog luider. De belofte van rust trok me als een magneet op dat moment. En daarom stond ik nu hier. In the middle of nowhere. Klaar voor een nieuwe kans om mezelf terug te vinden.

‘Welkom,’ zei de vrouw voor de deur. ‘Vanaf 18:00 uur vandaag begint de Stilte. Geen woorden. Geen gebaren. Geen geschreven taal. Alleen jezelf.’

We waren met negen deelnemers in totaal. Er hadden zich nog vier anderen gemeld. Ik kende niemand, maar dat was ook de bedoeling. Onbevlekt beginnen. We kregen elk een eigen kamer, tot zover dat een kamer te noemen is. De kamers waren eenvoudig en leken net cellen: een bed, een wastafel en een kaars. Geen spiegel, geen klok, geen telefoon. Alles bleef achter in de buitenwereld.

De gids, blijkbaar de functie van de vrouw van buiten, stond met opgeheven hoofd voor de groep. We zaten met z’n allen aan een lange tafel. Dit was de eetkamer. Dat heeft de vrouw zojuist verteld tijdens de rondleiding. We zaten nu in een gezamenlijke bijeenkomst. Ik had mijn gedachten ondertussen al op andere dingen gefocust dan op het verhaal die de vrouw vertelde. Er hingen aparte schilderijen van mensen met een grote glimlach op hun gezicht in de ruimte.

‘Het draait hier om stilte, discipline en overgave,’ hoorde ik de vrouw zeggen. ‘Wie spreekt, zou de groep schaden en wie iets overtreedt, moet terug naar het begin.’

Wat het betekende en wat ze bedoelde, zei ze niet. Het bleef een vaag experiment. Is het een experiment? Voor mezelf in ieder geval wel. Ik wist niet hoe ze dit hier officieel noemen. Ik had echt beter moeten opletten tijdens het inschrijven. Ik had geen idee waar ik in was beland en wat mij te wachten stond.

Toch was het voor nu wel rustgevend. Geen wekker voor de volgende dag, niets. Alleen mezelf. Nog even met mijn veel te luide hoofd rondlopen, dat hopelijk met een paar dagen weg is. Het voelde als een confrontatie met mezelf aangaan. Een confrontatie die ik ging winnen..

 

Dag 2

Op dag twee was de vrouw met het rode haar verdwenen. Ik had haar nog gezien tijdens het avondeten: ze zat schuin tegenover me, dronk thee met een trillende hand. Haar ogen leken op gebroken glas. De volgende ochtend was haar bed leeg. Keurig opgemaakt, maar leeg. Geen spullen, geen briefje, geen afscheid. Ze was weg. Had ze een fout gemaakt? Was ze daarom weg? Of was ze er al tussenuit gepiept? Ze was vast slimmer dan de rest van ons, die hier nog acht dagen vastzaten.

We zaten aan tafel met z’n allen, nou een soort van met z’n allen. We misten de vrouw met het rode haar. Op tafel stond een bord waarop de gids in sierlijke letters een getal schreef: acht. Eén minder. Alsof het een score was die we behaald hadden. Een score waarin we iemand waren verloren.

We hadden geen manier om te vragen wat er was gebeurd met haar. Geen woorden, gebarentaal of schriftelijke tekst. We hadden alleen blikken. Sommige ontwijkend, anderen strak op elkaar gericht. We wisten niet hoe we ons moesten gedragen. Wat moest men doen in stilte?

Deze dag werd de stilte alleen maar zwaarder. Niet rustgevend zoals ik had verwacht, maar drukkend. Elke voetstap die ik door de gang zette leek te galmen. Elke ademhaling was ik bang dat ik wat verkeerd deed. Alles voelde als verraad.

We zaten op het binnenplein, middag meditatie om 13:00 uur had de gids op het papiertje op tafel gezet. Ze was de enige die kon communiceren. Iedereen om mij heen sloot hun ogen, maar ik kon het niet. Mijn gedachten raasden heen en weer. Ik vroeg me af waarom we niet wisten waar de vrouw met de rode haren was. Niemand kon wat vragen, maar de gids kon wel communiceren. Een uitleg waarom ze niet meer bij ons in het klooster was, zou veel razende gedachten weghalen. Waar was ze gebleven? Waarom mochten wij niet weten waar ze was?

Plots herinnerde ik me de woorden van de gids: ‘Je kunt jezelf pas horen, als je alles hebt opgegeven dat je afleidt van wie je was.’

Misschien was dit wat ze bedoelde. Opgeven, loslaten en verdwijnen.

We waren allen weer terug in onze cellen, kamers. Ik stond mijn tanden te poetsen, niet wetende wat ik anders zou kunnen doen. Er waren hier ook geen manieren om jezelf te vermaken. Geen boeken of pen en papier. Ik kon helemaal niets en de hele avond mijn tandenpoetsen was te veel van het goede. Ik bukte om wat water in mijn gezicht te gooien, en plots daar, in de kalk van de muur stond wat gekrast: zwijg lang genoeg en je verdwijnt.

Mijn hart bonkte in mijn keel. De geschreven letters, ik dacht met een scherp voorwerp, zijn oud. Toch was het goed te lezen, duidelijk genoeg om te zien wat er staat. Iemand anders had hier eerder gezeten. Iemand had een waarschuwing op de muur gezet, die op dit moment te accuraat was om te negeren. Waarom stond het er nog? En nog belangrijker: waarom had niemand het weggehaald?

 

Dag 3

Dag drie begon precies hetzelfde als gisteren. De lucht was zwaar, het ontbijt smakeloos. De stilte begon langzamerhand verstikkend te werken. Ik wist niet eens wie ik voor me heb zitten. Wie waren deze mensen en waarom hebben zij zichzelf opgegeven? Elk individu zal hier zijn voor een reden. Een reden die ik graag zou willen weten, maar nooit achter mag komen.

Gisteren zat er tijdens het ontbijt een oudere vrouw met grijs haar naast mij. Vandaag was ze weg. Niemand keek op of had er iets over te zeggen. Het bleef stil. Muisstil.

Het bordje met nummer zeven staarde mij aan. Gisteren stond er acht, vandaag zeven. Even sierlijk geschreven als gisteren en met dezelfde lading pijn. De nummers kregen een beladen gevoel. Elke dag weer een getal minder. Elke dag een score lager. Elke dag een persoon minder.

Het bleef een mysterie waarom de mensen verdwenen. We mochten niets vragen of zeggen. We zaten vast in onszelf.

Tijdens de middag meditatie bleef het nog steeds stil. Ik voelde de sfeer om mij heen kraken van de spanning. Het was als een touw dat op breken stond, maar niemand hield het touw tegen. Niemand die iets onderneemt. Niemand sprak, tot er een fout werd gemaakt. We zaten aan de houten tafel, een schaal soep in het midden. De lepels die soep pakten uit de kommen, maakten het enige geluid aan de tafel. Ik nam rustig een hapje van de soep. Alweer smakeloos. De jongen naast mij begon plotseling te beven. Het was een jonge man, nauwelijks twintig. Hij leek op mij. We hadden hetzelfde donkere haar en zijn dun gebouwd. Ik dacht dat hij net wat jonger zou zijn dan ik, maar ik zal het nooit zeker weten. De tranen stroomden over de jongen zijn wangen. Hij begon te snikken, zachtjes maar al snel ongecontroleerd.

‘Ik word gek,’ snikte hij. ‘Van deze stilte.. van jullie afgrijselijke blikken.. van die verdomde muren!’ Zijn stem sloeg over, maar hij stopte niet. Hij moest het laten gaan. Ik zag het in zijn ogen. ‘We doen alsof dit goed voor ons is, maar mensen verdwijnen hier! Open je ogen. Dit is geen vorm van jezelf vinden, dit is.. dit is-’

Voordat hij zijn zin kon afmaken, stond de gids achter hem met twee brede mannen. De twee mannen in grijze gewaden grepen hem zacht, maar doeltreffend bij zijn armen. Hij stribbelde niet tegen. Hij keek ons allen wanhopig aan. Alsof hij hoopte dat er iemand met hem mee zou gaan. Maar iedereen had door dat dat niet verstandig was. Je kon beter je mond houden en je aan de regels houden. Anders was jij misschien wel de volgende die zou verdwijnen.

De gids keek ons kort aan en zei dan hardop, de eerste en laatste stem die ik hoorde die dag: ‘Onze excuses voor het ongemak. De rest van de retraite zal probleemloos verlopen.’

Ze noemden dit een retraite. Een retraite is een bewuste afzondering van het dagelijks leven. Bedoeld voor bezinning, rust en persoonlijke ontwikkeling. Het was enigszins hoe ze het hadden beschreven in de advertentie. Maar dit was geen retraite te noemen. Het begon te lijken op een ‘ik laat mensen verdwijnen’ programma.

Die avond kon ik niet slapen. De kamer voelde nog altijd aan als een kooi, waar ik zelf niet uit kon. Om mijn verveling tegen te gaan, ging ik opnieuw op zoek naar aanwijzingen. Ik had er gisteren één gevonden, misschien kon ik er ergens anders ook nog één vinden. Ik zocht onder het bed, nogmaals bij de wasbak en in de kieren van het houtwerk. Niets. Alleen nog die ene zin die mij bleef achtervolgen:

Zwijg lang genoeg en je verdwijnt.

 

Dag 4

De jongen was weg. Geen spoor meer van hem te bekenen. Zijn stoel was leeg toen we aankwamen bij het ontbijt. Zoals verwacht. We zaten muisstil aan tafel. Er werd nog altijd geen woord gesproken. Door niemand.

Op het bordje stond weer een nieuw getal: zes.

Er hing enorme spanning in de lucht, spanning van ingehouden paniek. Niet alleen bij mij, maar ook bij mijn medemensen. Ik zag het aan de lichaamshouding en de ogen van de rest. Ze stonden vol spanning. Niemand durfde elkaar aan te kijken. Niemand wilde de volgende zijn.

Ik had de hele nacht nagedacht over het feit dat de gids dit een retraite had genoemd. Een retraite is voor ontspanning en rust. Je mond moeten houden is geen rust. Niet wanneer er mensen om je heen verdwijnen. Het met jezelf zijn is een stille moordenaar wanneer je niets mag zeggen over wat er om je heen gebeurd.

De dag was niet anders dan gisteren en eergisteren, behalve dat we met een persoon minder zijn. In de middag zaten we weer bij de middag mediatie, met z’n zessen. Mijn gedachten sloegen deze sessie volledig op hol. Ik kon mij niet meer focussen op die stomme middag meditatie die al drie dagen precies hetzelfde was. Er zat geen verandering in. De man die de meditatie gaf, zei niets en liet ons gewoon voelen. Onszelf voelen om tot rust te komen. De eerste keer was het prima, tweede keer al iets minder en nu is het verschrikkelijk. Ik zag hoe af en toe iemand zijn ogen opende om contact te zoeken met elkaar. Ik deed hetzelfde. Ik wilde niets liever dan contact. Maar het was verboden.

Elke dag verdween er wel iemand. Zonder aanleiding of excuus. We zaten allen vast in een zware leegte. Ik hoopte dat de persoon die verdween de retraite zou hebben behaald, maar oh wat had ik het mis.

 

Dag 5

Vijf: het confronterende getal op het bordje. We waren nog maar met vijf mensen, ik en vier anderen. Er waren vier mensen verdwenen, zonder een spoor achter te laten. Het enige wat ze achterlieten was stilte. Stilte die er toch al zou zijn.

Woede begon langzaam in mij omhoog te borrelen. Ik moest mezelf inhouden. Ik kwam hier voor mezelf, niet voor anderen. Ik kwam hier om mijn eigen hoofd op pauze te kunnen zetten, niet om gek te worden. Helaas zorgde de situatie hier dat het aan mij knaagde.

In het begin dacht ik dat het toeval was. Dat mensen zich terugtrokken, een andere plek zochten of misschien even ruimte nodig hadden. We zaten tenslotte allemaal hier met onze eigen redenen. Onze eigen demonen. Niemand zei te veel. Je voelde elkaars aanwezigheid, maar liet elkaar met rust.

Echter begon daarna het patroon op te vallen.

De eerste verdween op dag twee. Niemand sprak er echt over. Alsof het erbij hoorde. Alsof het zelfs verwacht werd. De tweede, op dag drie, ging nog stiller. Geen spullen die verdwenen waren. Geen afscheid. Alleen een leeg bed dat achter bleef. Op dag vier keek iedereen elkaar korter aan. Het besef was ergens diep van binnen aan het groeien, maar niemand durfde het hardop te zeggen. Het werd koud. Niet van de lucht, maar van de sfeer hierbinnen.

Plots kwam het bij mij binnen. We waren met negen man, negen dagen lang. Op dag vijf zaten we met z’n vijven. Op de laatste dag zou er niemand meer zijn. Er bleef niemand over. We waren allemaal de lul. We zouden allemaal verdwijnen, stuk voor stuk. Zonder aanleiding en nooit meer terug te vinden.

Ik moest blijven zwijgen. Ik zou mij moeten voegen naar dit systeem, naar alles wat hier gaande zou zijn. Of moest ik toch spreken? Als ik de volgende zou zijn, moest ik het voorkomen. Ik mocht het niet laten gebeuren. Ik kon dit de anderen niet aan doen.

Tijdens de verschrikkelijke middag meditatie voelde ik mijn ademhaling versnellen. Mijn ogen schoten open, het moment dat ik wilde spreken. Maar dit was al de derde keer dat ik wilde spreken. Ik sloot mijn ogen zo gauw als ik kon. Ik moest zwijgen. De stilte was geen hulpmiddel meer tot rust, het was een wapen geworden. Een wapen die de mensen van deze retraite tegen ons konden gebruiken. Zonder dat we wisten waarom.

De drang om te spreken kroop omhoog. Een diepe, brandende behoefte om de stilte te verbreken. Het zat als een knoop in mijn keel. Maar ik hield me in. Het mocht echt niet.

Tot die avond. We zaten met z’n vijven aan tafel. De mensen naast mij staarden strak voor zich uit, maar ik zag het gebeuren. Ik zag precies het moment dat ze brak. Een vrouw begon te snikken, schokkend maar wonderbaarllijk zonder geluid. Een man kneep zijn vuisten samen en trok zijn kaken strak. En ik.. ik kon niet meer. Ik wilde met haar mee snikken, omdat ik ook niet meer wist hoe ik dit vol ging houden. Ervoor zorgen dat we hier met z’n allen uitkomen, dat werd mijn nieuwe doel. Vergeet de stilte, ik zou actie ondernemen.

Ik fluisterde zacht, maar luid genoeg. ‘We moeten hier weg.’

Mijn eigen stem sneed door de lucht alsof ik een glas had gebroken. De anderen verstijfden onmiddellijk. Als reactie keek ik paniekerig om me heen. Ze komen mij vast nu ook halen.

Maar tot mijn verbazing kwam er niemand. De ruimte vulde zich weer met stilte en er gebeurde niets. Ik wist niet waarom er niets gebeurde, maar was blij met het feit dat ze mij met rust lieten.

Ik wist dat ik een regel had gebroken. En wat het ook was dat hier gebeurd, ik zou het volgende doelwit zijn. Op dit moment werd er geen aandacht geschonken aan het doelwit, want iedereen vertrok naar de kamer. Twijfelachtig stond ik op en ging de groep achterna.

 

Ik werd wakker van voetstappen op de gang. Traag maar plots sneller het moment dat ik het hoorde. Ze stopten voor mijn deur. Ik hoorde geen klop of ademhaling bij de deur. Alleen die allesomvattende stilte, die niet van deze wereld af kwam.

Ik gleed van het bed af om mezelf te verstoppen onder het bed. Ik wist dat ik de volgende zou zijn. Mijn hart sloeg honderden slagen per minuut. Minuten gaan voorbij, hier onder het bed. Toen, door het sleutelgat, een fluistering:

‘Zwijg lang genoeg en je verdwijnt.’

Ik had geen tijd om na te denken, dus besloot ik in een oogwenk dat ik ging rennen. Ik moest hier weg.

Ik kroop onder het bed vandaan, de kamer uit en zo de gang in. Ik rende door het klooster, langs alles waar ik de afgelopen dagen ben geweest. Tot ik bij de voordeur aankwam. De deur zat op slot. Natuurlijk, hier had ik over na moeten denken. Alles was afgesloten. De ramen waren bedekt met tralies, de luiken waren vastgespijkerd en de deuren zaten op slot. Ik had kunnen gokken dat ik niet zou kunnen ontsnappen, maar toch ben ik er voor gegaan. Ik liet mezelf niet klein maken. Ik zou hier uit komen.

Ik dwaalde door de gangen. Er was niemand van de organisatie. Ik was alleen in het klooster. Elke deur die ik tegenkwam probeerde ik te openen. En na vijf keer proberen, was daar eindelijk een deur die opende. Het was een deur met een trap naar beneden. Ik had de kelder gevonden. Een kelder is de perfecte plek om mezelf te verstoppen tot deze waanzin is afgelopen. Ze zouden mij daar nooit kunnen vinden.

Beneden in de kelder rook het muf, naar schimmel en iets anders.. metaalachtig. Tot mijn verbazing zag ik al mijn spullen liggen. En de spullen van de anderen. De rugzakken en jassen, alles lag hier. Geordend.

Aan de muur boven de spullen hing een lijst. Een lijst met namen, onze namen ging ik vanuit. Ik herkende mijn eigen naam, dus zullen de andere namen wel van de anderen zijn. Sommige namen waren doorgestreept en achter elke naam stond een datum. Mijn naam stond onderaan de lijst, met de datum van vandaag.

Floris van Loon: 9 oktober 2025

Ik draaide me om. En daar stond ze. De gids. De glimlach op haar gezicht was scheef en haar ogen glazig. Achter haar stonden de twee mannen die eerder de jongen van tafel hadden weggesleept.

De vrouw stapte naar voren. ‘Wie spreekt, offert zich aan de stilte.’

Ik zette een stap achteruit, maar voelde al snel de muur tegen mijn rug. Er was hier geen uitweg. Mijn ademhaling was een schreeuw in mijn borst. Mijn benen wilden rennen, maar ik kon geen kant op. Ik was de pineut. De twee mannen kwamen naar mij toe. Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf, hopend dat iemand mij zou horen en kwam redden. Maar diep vanbinnen wist ik ook wel dat dat niet zo zal zijn.

Ik was alleen. Alleen in deze zware stilte. Zoals ik al de hele tijd was. De rust die ik zocht, was niet te vinden in de stilte. Rust was iets dat te vinden was in de buitenwereld, bij andere mensen. Niet hier.

De gids kwam met een scherp uitziend voorwerp op mij af en fluisterde:

‘Je hebt genoeg gezegd.’

 

 

 

*

Nu kijk ik terug.

Wat ik ooit voelde, is ver weg. Wie ik ooit was, is vergeten.

Ik was niet iemand die ontsnapte of iemand die het begreep, maar ik was simpelweg iemand die het onderging. Ik dacht dat ik anders was. Dat ik de enige zou zijn die het zou opmerken, die iets kon doen. Ik zou ontsnappen aan wat er hier gebeurde.

Maar er viel niets te redden.

Ik zie nu hoe het begon. Hoe de stilte ons opslokte tot er alleen nog schaduwen overbleven. En daarna niets meer.

Stilte.

Wat er met ons gebeurde?

Misschien doet het er niet toe.

En wachten we tot de laatste stem zwijgt.