Op weg naar het eindpunt
Een rammelende kettingkast zodra ik de weg op rijd. De wind rukt ruw aan mijn haren en kleren en er liggen diepe plassen op de weg. Terwijl ik door de plas rijd, spat het water zo hoog op dat mijn nieuwe regenbroek binnen enkele seconden nat zou moeten zijn. Maar om de een of andere reden vallen alle druppels terug de plas in. Mijn regenbroek moet wel heel erg waterafstotend zijn. Maar ik ben blij dat ik niet nat word. De geel- en roodgekleurde blaadjes dansen in de wind en nadat de wind klaar is met spelen, dwarrelen ze zachtjes op de grond. De lucht is grijs en er hangen regenwolken in. Als je de tijd neemt, kan je verschillende voorwerpen en dieren herkennen in de wolken; een schaap, een kip en een fiets.
“Kijk uit!”
Verschrikt kijk ik op. Ik was zo in gedachten verzonken dat ik niet zag dat een auto me tegemoet kwam rijden. Bijna lag ik daaronder. Wat een enge gedachte eigenlijk, dat alles in een paar seconden zomaar voorbij kan zijn. En wat dan? Wat gebeurt er dan, na de dood?
Maar echt tijd om hier verder over na te denken heb ik niet. De rest is namelijk al wat verder gefietst en ik moet op mijn trappers gaan staan om genoeg snelheid te maken om ze bij te houden. Mijn broertje fietst op zijn racefiets ver voor ons allemaal uit en het lijkt alsof de wind geen aandacht aan hem besteedt. Hij surft op de harde stoten van de wind, met zijn hoofd ver over het stuur gebogen en hij schiet als een pas afgeschoten pijl vooruit. Even lijkt het alsof er iets mis is. Het enige wat ik voor een paar momenten zie is hoe hij echt in een pijl verandert en dwars door een muur heen vliegt. Maar dit beeld is binnen een paar seconden weer verdwenen en als ik nog een keer naar mijn broertje kijk, is hij weer gewoon mens.
In de verte kan ik al de vage vormen van het stationsgebouw onderscheiden. Het is een grijs uitziend gebouw met bakstenen muren en hoge ramen. In het midden, op het dak, een klein uitsteeksel met een grote, ronde klok eraan. Verder is er een veel te kleine fietsenstalling, die al aardig vol staat. Helemaal achterin zijn er nog enkele plekjes vrij. Met een zachte klik zet ik mijn fiets op slot en haal ik de sleutel eruit. Mijn overbezorgde moeder staat met de extra kettingsloten al klaar om onze fietsen nog een keer op slot te zetten. Niet dat er in zo’n afgelegen dorpje iemand überhaupt iets zou stelen en al helemaal niet mijn fiets, die bijna van ellende uit elkaar valt. De voorlamp is nog maar met een klein draadje verbonden aan de fiets en mijn stuur ziet bruin van de roest. In mijn zadel zit een grote scheur, zodat er regen in kan lopen en je hele broek nat wordt als je erop gaat zitten na een flinke regenbui.
Nadat alle fietsen goed vaststaan lopen we verder naar binnen, daar waar de standaard NS poortjes zijn. Terwijl ik mijn ov-kaart tegen het scherm houdt, staat er checkpoint gehaald. Vreemd. Normaal staat er iets van incheck ok. Misschien heeft de NS voor de grap de tekst een keer veranderd? Maar het is geen 1 april. Ik besluit er verder niet teveel aandacht aan te besteden, want de poortjes klappen open en ik kan gewoon naar binnen lopen.
De stationshal doet me denken aan een soort kerkje. Het heeft hoge glas in lood ramen en een soort koepeltje op het dak. Via een houten oude deur kan je van de hal zo het perron op lopen. Het perron is overdekt met een geronde constructie van hout, zodat het een soort langgerekte koepel vormt. Op de bordjes met reisinformatie staat dat de trein pas over een kwartier vertrekt.
Mijn vader is een ‘je weet maar nooit’ persoon die graag alles goed geregeld heeft. Je zou hem een zakenman kunnen noemen; naar het werk draagt hij altijd een net pak met een bruin koffertje in zijn hand. Zijn haar kamt hij elke ochtend in een nette rechte scheiding voor de spiegel. Ook het scheerapparaat wordt regelmatig gebruikt. Maar als we een dagje weggaan, is hij ineens een heel ander persoon. Het pak wordt vervangen voor een bloesje met daarover een warme trui met spijkerbroek. En ook van de scheiding is niks meer te zien. Het enige waaraan je hem nog zou kunnen herkennen, is het bruine koffertje. Wat hij erin heeft zitten weet niemand.
Als we op het perron zijn aangekomen, geven we onze ov-kaarten aan vader, zodat hij kan nakijken of er op elke kaart nog voldoende saldo staat. Terwijl vader de kaarten oplaadt, kijk ik nieuwsgierig rond naar alle mensen om me heen. Het is vrij rustig op het perron voor een woensdagochtend. Op een houten bankje naast een prullenbak zit een man met een hoedje, een zwarte snor en op het puntje van zijn neus een rond brilletje dat daar gevaarlijk balanceert. Hij zit met zijn benen over elkaar gefrustreerd de ochtendkrant te lezen. Waarschijnlijk staat er weer iets in de krant waar de man het niet mee eens is. Vader zet zijn bruine koffertje op het bankje dat het verst van de man af staat. De man vouwt een vliegtuigje van de krant en gooit hem richting het spoor. Maar voordat het vliegtuigje kan landen, lijkt het alsof het vliegtuigje oplost in het niks. Het enige wat overblijft is een hoopje stof.
Iets verderop op het perron zie ik een stelletje staan. Ze houden elkaars handen vast en staren intiem in elkaars ogen. Ik kan net op tijd mijn ogen afwenden als hun hoofden naar elkaar toe bewegen om elkaar te zoenen. Blegh. Als ik weer terugkijk, lijkt het alsof ze zweven op een liefdeswolkje en Cupido ze beschiet met pijlen. Even lijkt het echt alsof ik een vaag figuur achter een paal zie staan, maar het beeld is snel verdwenen. Waarschijnlijk heb ik vannacht veel te weinig slaap gehad en beeld ik me te veel dingen in. Ik maak oogcontact met een wat oudere vrouw die op haar rollator zit. Ze heeft een baret op en een nette rok aan. Alle kleuren van haar outfit smelten perfect samen en ze doet me denken aan een warme regenachtige herfstdag waarop de zon door de paar bladeren, die nog aan de bomen hangen, schijnt. Ze glimlacht vriendelijk naar me en ik lach terug. Mijn oog valt op een vrouw rond de vijftig met een lange donkergroene jas aan. Ze heeft een zwarte muts op en haar ogen zijn moeilijk te zien. Haar lange bruine haar waait voor haar ogen. Met haar botterige vingers veegt ze elegant de haren uit haar gezicht. Ik kan nu goed haar rode lippenstift zien, die mooi afsteekt tegen de rest van haar gezicht. Ze kijkt strak naar de grond en als ze haar hoofd opheft, vallen me de donkere wallen onder haar ogen op die ze tevergeefs heeft geprobeerd te verbergen met wat make-up. Het lijkt of ze iets heeft laten vallen, want ze kijkt zoekend om zich heen. Ik schrik, ze stapt omlaag het spoor op. Straks komt er een trein aan! Ik kijk naar het bord, maar het duurt gelukkig nog minstens tien minuten.
“Er staat een vrouw op het spoor!” schreeuw ik.
Ik hoor in de verte ook een trein aankomen. Mijn hart bonkt in mijn keel en mijn handen trillen. Waarom staat die vrouw daar nou? Waarom gaat ze niet weg? Ze snapt toch zelf ook wel dat er een trein aankomt? Ik kan niet meer rustig nadenken, de gedachtes razen door mijn hoofd en het is één groot slagveld daarbinnen. De stemmen blijven door elkaar schreeuwen en ik verlies de controle over mijn lichaam. Het is alsof ik mezelf van een afstand zie. Ik sta op het perron met mijn ogen gefixeerd op de vrouw op het spoor. Ik schreeuw tevergeefs naar mezelf dat ze haar ogen moet afwenden, maar ze hoort me niet. En voor ik het weet is daar de gele neus van de intercity die straks langs het perron en over de vrouw langs zal razen.
Mijn mond wordt droog en voor ik het weet, komt mijn eten omhoog. Ik braak mijn hele ontbijt op en er blijft een zure smaak in mijn mond achter. Tranen stromen over mijn wangen als ik zie hoe de trein de vrouw raakt en haar hoofd van haar nek wegschiet. Haar lichaam wordt verbrijzeld onder de wielen van de trein. Het bloed spat alle kanten op en de kleren van de oude mevrouw met de rollator zijn doordrenkt met bloed. Ik kan mezelf niet tegenhouden als ik een nieuwe golf van braaksel mijn mond voel verlaten. Ik voel niks meer. Ik kan alleen maar als een zielloos wezen voor me uitstaren. Alle stemmen in mijn hoofd zijn opeens stil. Ik kan nog vaag de stem van mijn moeder horen die 112 belt en schreeuwt dat er een dode vrouw op het spoor ligt. De stemmen beginnen weer door elkaar te schreeuwen als ik de sirenes hoor.
Ik realiseer me dat de vrouw dood is. Natuurlijk is ze dood, maar ze is echt dood. Dat hoort niet, dat kan niet. Een politieagent met een dikke rechte bruine snor komt naar ons toe lopen. We moeten meegaan naar een gebouwtje op het station en we worden door een andere man naar binnen gelaten. Het lijkt op een klein kantoortje en er staan enkele stoelen om een tafel heen, waar we aan plaats nemen. Ik zie de mond van de agent bewegen en hoor geluiden, maar mijn hersenen maken er geen woorden van. De wereld wordt steeds vager en het is alsof er stukjes uit de wereld wegvagen. Alles begint te lijken op een slecht afgedrukte foto met honderden pixels en terwijl de agent zijn pet afneemt om met een zakdoek zijn kale hoofd af te vegen, zie ik geen gewoon hoofd, maar een kip! Een witte kip met een felrode snavel staart me indringend aan. Daarna zijn de enige woorden die ik zie Game Over. Ik staar naar een tv-scherm en heb een controller in mijn hand. Ik knipper een paar keer met mijn ogen voordat ik alles scherp zie. Ik kijk naar het scherm en probeer uit te vogelen wat ik zie. Crossy Road staat er bovenaan het scherm.
“Shit, nu heb ik alsnog mijn record niet verbroken. Ik had maar twee wegen meer over hoeven springen.” Ik smijt boos mijn controller weg.
“We gaan eten, Jess!”

